Als huisarts in opleiding werken in vluchtelingenkamp Moria

Door Lukas Nelissen

Ik heb het geluk gehad om het afgelopen jaar van de huisartsenopleiding door te mogen brengen in de praktijk van Steven van de Vijver. Naast vaste commentator van Nieuwsuur, een geëngageerde, innovatieve en avontuurlijke huisarts. Na drie maanden in de praktijk kwam tijdens een leergesprek de situatie op Lesbos ter sprake. Steven had in 2019 enkele weken doorgebracht op Lesbos als lid van het team van Stichting Bootvluchteling, dat medische zorg verleent in kamp Moria.  Hij was erg enthousiast over hun werkzaamheden en vertelde hoe ernstig de situatie was, maar ook hoe bijzonder en waardevol het was om daar te kunnen werken. Toen ik aangaf dit ook te ambiëren, was het plan geboren. Zo kwam het dat mijn opleider en ik niet veel later, in maart 2020, samen naar Lesbos vlogen om te werken in vluchtelingenkamp Moria.

Wellicht ten overvloede na alle media-aandacht van de laatste maanden, maar Moria werd in 2015, aan het begin van de vluchtelingencrisis, gebouwd door de Griekse regering. Het kamp werd ingericht om drieduizend mensen tijdelijk onderdak te bieden, voordat zij door zouden reizen naar andere Europese opvangcentra. Dit liep anders dan verwacht. De mensen die werden opgevangen in Moria moesten vaak maanden, zo niet jaren wachten voordat hun asielaanvragen verwerkt werden. Vanwege deze vertraging én de grotere toestroom dan voorheen ingeschat, bleef het inwoneraantal van Moria groeien. Rondom het kamp had zich zodoende in de loop der jaren een tweede ring gevormd van duizenden tenten, hutjes en geïmproviseerde slaapplekken. Deze toevoeging werd veelzeggend ‘The Jungle’ genoemd, vanwege de afwezigheid van beveiliging, elektriciteit of sanitaire voorzieningen. In maart 2020 werd het aantal vluchtelingen in het kamp geschat op 22.000. 

Stichting Bootvluchteling huurde twee grote huizen in Mytilini, de hoofdstad van Lesbos, waar alle vrijwilligers sliepen. Een gevarieerd gezelschap bestaande uit SEH-artsen, huisartsen, HAIO’s, neurologen en chirurgen. De werkdagen begonnen om 08:00 uur in de haven van Mytilini, waar wij werden opgehaald in een oude rode stadsbus die door de Griekse zon roze was gekleurd. De bus reed door het oude stadscentrum de omliggende olijfboomgaarden in over smalle bergwegen. Na ongeveer tien minuten met een prachtig uitzicht, kwam de bus aan bij het kamp. Een hek van 3 meter, met bovenop prikkeldraad en een toegangspoort die werd beveiligd door de lokale politie. Het was er druk en verrassend gemoedelijk. Mensen liepen het kamp in en uit, hingen wat rond, maakten een praatje of gingen naar de stad om boodschappen te doen. 

Niet ver van de hoofdingang bevond zich de medische post. De medische post bestond uit een kunststof keet met daarin een apotheek en 4 kleine spreekkamers. Buiten was de wachtkamer. Deze had een vloer van grind en werd verwarmd door elektrische heaters. Onder het afdak waren extra spreekkamers ingericht die bestonden uit twee houten bankjes die tegenover geplaatst waren. Deze spreekkamers waren van elkaar gescheiden met kamerschermen. De medische post werd gerund door twee mannen die zelf in het kamp verbleven. Zij werden bijgestaan door een grote groep tolken, die ook in het kamp woonden. Tijdens de ochtendoverdracht werd iedere arts gekoppeld aan een tolk die behalve Engels ook Afghaans, Farsi, Urdu of Arabisch sprak. Zo werd ik, eerstejaars HAIO met matige LHK-toets resultaten, gekoppeld aan een Syrische internist. Samen zagen wij patiënten met uiteenlopende klachten, variërend van onbehandelde scabiës tot slecht gereguleerde diabetes. De middelen die tot onze beschikking stonden waren beperkt. Er was een uitgebreide apotheek. Daarnaast bestond de mogelijkheid om bloed te laten prikken of een foto te laten maken in het lokale ziekenhuis. Voor noodgevallen kon een ambulance gebeld worden. Gelukkig was dit tijdens onze periode niet nodig. Hoewel je veel van onze patiënten een uitgebreid consult in het AMC gunde, konden wij met deze beperkte middelen onze patiënten beter helpen dan ik in eerste instantie had verwacht.

Het was indrukwekkend om de verhalen te horen van de patiënten die je zag. Het meest bijzonder was de samenwerking met de tolken. Gedurende de dag waren dit je directe collega’s. En met hen, zoals collega’s onderling doen, werden ook niet-medische zaken uitgebreid besproken. Zij vertelden over hun oude leven, de redenen om naar Europa te vluchten of het dagelijks leven in het kamp. Hun situatie was natuurlijk vaak schrijnend en de reis die zij hadden afgelegd vaak traumatisch, maar desondanks was er genoeg ruimte voor  minder beladen onderwerpen. We spraken uitgebreid over voetbal, films of de laatste roddels in Moria, waar zich geheel organisch een markt en een dorpsplein hadden gevormd waar jongeren elkaar konden ontmoeten. 

Enkele dagen nadat wij terug vlogen sloot Griekenland haar luchtruim en startte in Nederland de lockdown. Sindsdien is de situatie op Moria verder verslechterd. De Griekse inwoners van Lesbos hebben zich uitgesproken tegen de vluchtelingen; covid-19 heeft het kamp bereikt en enkele weken geleden is een groot deel van het kamp afgebrand. Het is pijnlijk om te bedenken dat onze collega’s van destijds zich daar waarschijnlijk nog steeds bevinden en hun kansen om weg te komen uit Moria, verder weg zijn dan ooit. Desondanks ben ik blij dat ik hier heb mogen werken. Wij hebben hun levens niet structureel kunnen verbeteren of hun (somatische) klachten kunnen genezen; maar hopelijk hebben we wel een signaal afgegeven dat er binnen Europa ook mensen zijn die zich om hun lot bekommeren.